onze tarieven
 

Oefententamen Statistiek


Statistiekbegeleiding
Thesis begeleiding

Data Analyse

Data analyse

SPSSplaatje

SPSS begeleiding

SPSS begeleiding  spsshandboek

Het soort vragen in onderstaand oefententamen Statistiek krijgen de meeste eerstejaars studenten tijdens het tentamen Statistiek. Heb je bij Statistiekbegeleider de eerste twee Statistiek klasjes hebt gevolgd, kun je al deze vragen makkelijk beantwoorden!

 

1) Wat wordt afgebeeld in een spreidingsdiagram (scatter plot)

a. De gemiddelden van twee variabelen

b. De waarden op de ene variabele afgezet tegen de waarde van een andere variabele

c. De frequentie van de scores

d. Het effect van de predictor op de afhankelijke variabele

 

Van twee steekproeven hebben we de volgende gegevens:

Steekproef 1: N = 100, sd = 5; Steekproef 2: N = 10000, sd = 500

2) In welke steekproef is de kans het grootst om een significant resultaat te vinden?

a. In steekproef 2, want die is veel groter

b. In steekproef 1, want daar is de spreiding kleiner

c. In steekproef 1, want daar is de standaardfout kleiner

d. Dat valt op grond van deze gegevens niet te bepalen

 

3) Waar is de Levene’s test voor bedoeld?

a. Toetsen of gemiddelden afwijken

b. Toetsen of varianties gelijk zijn

c. Toetsen of data normaal verdeeld zijn

d. Toetsen of een factor effect heeft

 

4) Wat is het significantieniveau?

a. Een vooraf vastgestelde waarde op grond waarvan beslist wordt om de nul-hypothese te
verwerpen.

b. De kans dat toetsresultaten op toeval berusten.

c. Een waarde die aangeeft hoe belangrijk de resultaten zijn.

d. Het niveau waarop gemiddelden van elkaar verschillen.

 

5) Wat mogen we niet concluderen als een resultaat niet significant is?

a. De nul-hypothese is onwaar

b. De alternatieve hypothese is waar

c. De nul-hypothese is waar

d. zowel, a, b als c

 

6) Gegeven het feit dat de data voldoen aan parametrische assumpties, welke maat voor

samenhang is het meest geschikt om de relatie tussen intelligentie en tentamencijfer te bepalen.

a. Spearman’s rho

b. Kendall’s tau

c. Pearson’s chi-square

d. Pearson’s product-moment correlatie

 

7 ) Stel dat blijkt dat de correlatie 0 is, welke conclusie mag je dan trekken?

a. Er is geen verband tussen intelligentie en tentamencijfer

b. Er is geen lineair verband tussen intelligentie en tentamencijfer

c. Iemand die gemiddeld scoort qua intelligentie scoort ook een gemiddeld tentamencijfer

d. Het verband is significant, want r < .05

 

8) Welke van de volgende maten is het minst beïnvloedbaar door outliers?

a. Gemiddelde

b. Variantie

c. Mediaan

d. Range

 

9) Stel, de correlatie tussen twee variabelen is 1.0. Wat zal er dan gebeuren als we bij 1 van de variabelen bij alle scores 100 optellen?

a. De correlatie wordt hoger

b. De correlatie blijft gelijk

c. De correlatie wordt lager

d. Dat valt op grond van de gegevens niet te zeggen

 

10) Welke maat wordt gebruikt voor de interne consistentie van een schaal?

a. Cronbach’s alpha

b. Pearson’s chi-square

c. r

d. Kurtosis

 

11) Een onderzoeker wil weten of de hoofdkleur van een voetbaltenue (rood, wit of blauw) invloed heeft op het aantal punten dat het team haalt. Wat is het meetniveau van hoofdkleur?

a. Nominaal

b. Ordinaal

c. Interval

d. Ratio

 

12) Welke toets moet de onderzoeker gebruiken om zijn vraag (zie vraag 11) te kunnen beantwoorden, gegeven normaliteit?

a. Pearson’s chi-square

b. Lineaire regressie analyse

c. One-way ANOVA

d. Mann-Whitney

 

13) Welke van de uitspraken over een normale verdeling is waar?

I Het gemiddelde is nul en de standaardafwijking is 1

II. Grofweg 95% van de waarnemingen ligt tussen het gemiddelden en plus/min 2 keer de standaardafwijking

a. Zowel I als II zijn waar

b. Zowel I als II zijn onwaar

c. I is waar, II is onwaar

d. I is onwaar, II is waar

 

14) Er blijkt een correlatie te zijn van .60 tussen intelligentie en tentamencijfer. Welke van de volgende uitspraken is waar?

a. 60% van de variantie in tentamencijfer kan verklaard worden de intelligentie

b. 36% van de variantie in tentamencijfer kan verklaard worden de intelligentie

c. Er is sprake van een middelmatig sterk verband tussen intelligentie en tentamencijfer

d. Verschillen in intelligentie veroorzaken verschillen in tentamencijfer

 

Ben je benieuwd of je voldoende antwoorden goed hebt, of dat extra bijles wel aan te bevelen is? Stuur ons een mailtje of vul het contactformulier in, dan nemen we zo snel mogelijk contact met je op.

 

antw: 1=b, 2=c, 3=b, 4=a, 5=d, 6=d, 7=b, 8=c, 9=b, 10=a, 11=a, 12=c, 13=d, 14=b

Onze Begeleiders